De resten van
het kasteel
van Wageningen

Wageningen was oudtijds als grensstad van Gelre strategisch van groot belang. In de dertiende eeuw werd de stad al met vestingwerken versterkt en met het stadsrecht begiftigd. In het begin van de zestiende eeuw vond hertog Karel het raadzaam in Wageningen een kasteel te bouwen, omdat hij zich hier anders te kwetsbaar voelde in zijn strijd tegen de Bourgondiërs. 

De Torck-dynastie heeft vanaf 1614 op het kasteel de dienst uitgemaakt. In 1672, het nationale rampjaar, namen Franse troepen de stad in en ruïneerden het kasteel. De dan residerende kasteelheer Assueer Torck wist na de verwoesting evenwel van de nood een deugd te maken. Hij realiseerde een ingrijpende verbouwing: het defensieve kasteel toverde hij om in een luxueuze hof met herenhuis, stallen en tuinen). Zijn zoon Lubbert Adolph Torck (1687-1758), de bekendste uit de dynastie, ontwikkelde eveneens een formidabele bouwactiviteit. Hij realiseerde op en vlak bij het kasteelterrein een tiental luxe huurhuizen en ook het kasteel zelf deed hij in de verhuur. Als hij in Wageningen was – meestal verbleef hij op zijn andere bezit, het kasteel Rosendael  – woonde hij in een van zijn nieuwe huizen.

Als sluitstuk werd het kasteel zelf in 1829 van de hand gedaan aan de grootgrondbezitter Jacob Marcus Rosenik. Die liet het grootste deel van het complex slopen, omdat hij het onrendabel vond voor de verhuur. Het luxueuze herenhuis dat Assueer Torck op het oude poortgebouw had opgetrokken liet hij grondig verbouwen.

Een halve eeuw later, in 1882, kwam dit herenhuis, dat nog steeds kasteel was blijven heten, in handen van Johannes Stephanus Bowles, die als planter rijk was geworden in Nederlands Oost-Indië. Deze verkavelde de voormalige kasteeltuin voor de bouw van luxe villa´s. Er kwam een nieuwe straat naar dit Bowlespark. Die ging aan de zuidkant langs het “kasteel”, dat inmiddels Villa Vada werd genoemd, en doorsneed daarbij van oost naar west de plek waar zich ooit de oostelijke kasteelmuur, het kruithuis, het brouwhuis en de westelijke kasteelmuur hadden bevonden.

Zo verdwenen de overblijfselen van het kasteel begin twintigste eeuw onder de grond en uit de belangstelling. Pas in de late jaren zeventig begon de liefde voor het oude weer op te bloeien. De toen opgerichte Historische Vereniging Oud Wageningen en het daaruit voortgekomen museum De Casteelse Poort, gevestigd in de Villa Vada,  speelden een initiërende rol, maar het waren vooral de enthousiaste leden van de Archeologische Werkgroep die het oude kasteel metterdaad weer tevoorschijn haalden. Zij deden onderzoek en verrichten restauraties aan de restanten van de stads- en kasteelmuur. Zij wisten de fundamenten van de noordelijke poorttoren en de noordelijke kasteeltoren bloot te leggen en te conserveren.

In het museum werd de keldervloer opengebroken en toen kwam daar de fundering tevoorschijn van de zuidelijke poorttoren. Een bouwtechnisch onderzoek van het hele museumgebouw bracht aan het licht dat daar, hoewel alleen vindbaar voor het geoefende oog,  nog muurwerk uit de zestiende en zeventiende eeuw aanwezig is en balkwerk uit de tijd van Assueer Torck.

Ook de totaal verwaarloosde gewelfkelder vlak naast het museum werd opnieuw onderzocht. Vastgesteld werd dat het hier gaat om (een deel van) de brouwkelder van het kasteel, gebouwd rond 1530. Overigens moet deze kelder oorspronkelijk groter zijn geweest. Het hele brouwhuis was namelijk onderkelderd en dat was aanmerkelijk groter dan het nu nog toegankelijke deel. Om daarover zekerheid te verkrijgen, en over zoveel meer vragen rond het verdwenen kasteel, zou er uitvoerig gegraven moeten worden.

Piet Aben

 

Resten van de stadsmuur en toren

Kruisgewelfkelder van het brouwhuis

Inloggen   Zoeken